Diabetes Mellitus (suikerziekte)
Suiker (glucose) is een van de belangrijkste voedingsstoffen. Het komt via de voeding binnen en wordt opgelost in het bloed. Insuline is een hormoon (uit de alvleesklier) dat de suikers de cellen in kan ‘sturen’. Zonder insuline nemen de cellen geen suiker op.
Er zijn twee soorten van suikerziekten, type I en type II. Patiënten met diabetes mellitus type I, meestal ontstaan op jonge leeftijd, maken zelf geen, of nauwelijks insuline aan.
Patiënten met type II produceren meestal nog wel voldoende insuline, maar het bereikt de cellen slecht(er). Teveel suiker blijft in het bloed rondstromen terwijl de cellen suikers tekort komen. Type II komt vooral voor bij ouderen en/of bij mensen met (ernstig) overgewicht.
Met medicijnen en/of een dieet kunnen de meeste diabetici goed worden ingesteld.
De meest bekende ontregeling bij een patiënt met diabetes is een hypoglycaemie, kortweg meestal hypo genoemd.
Wanneer treden hypo’s op?
Situaties waarbij een hypo kan optreden zijn:
- wanneer iemand een vergissing heeft gemaakt met zijn dosering medicijnen of insuline;
- als men wel de medicijnen/insuline heeft genomen maar erna onvoldoende eet;
- bij het verrichten van extra lichamelijke arbeid, zoals sporten;
- Bij (overmatig) alcoholgebruik wordt de kans op het krijgen van een hypo groter.
Wat zijn de symptomen? Symptomen zijn, onder andere, geeuwen, duizeligheid en zweten. Soms kan iemand met een (dreigende) hypo een veranderend gedrag krijgen; de indruk geven dronken te zijn, of wordt druk en zelfs agressief.
Er zijn handige kaartjes bij bijvoorbeeld uw praktijkondersteuner te krijgen waar de symptomen duidelijk zijn afgebeeld.
Wat kun je doen?
Als de persoon nog aanspreekbaar is, geef hem iets zoets te drinken of eten. Bijvoorbeeld een glas zoete limonade(siroop) of minstens vier suikerklontjes. Een boterham met zoet beleg werkt weliswaar minder snel, maar het effect duurt wel langer. Vaak knapt de patiënt na toediening van (snel oplosbare) suikers of koolhydraten, gauw weer op.
|